Er bestaan in de muziek 15 verschillende voortekeningen. Hoe zoeken we dan uit welke daarvan kruisen hebben en welke mollen? Hoe weten we hoeveel kruisen of mollen ze hebben? En waar passen de mineurtoonsoorten in?
Al die vragen (en soortgelijke) beantwoorden we met een paar eenvoudige patronen die in de voortekeningen zitten. Zodra je die patronen kent, wordt het vrij makkelijk om voortekeningen te lezen, te begrijpen en af te leiden. In deze les bouwen we zelfs een complete tabel van de voortekeningen vanaf de grond op!
Hoe onthoud je de voortekeningen dan? Je onthoudt ze door 5 tonen omhoog of omlaag te tellen. Vanaf C majeur (dat geen kruisen en geen mollen heeft) tel je 5 tonen vooruit voor de kruistoonsoorten, en 5 tonen terug voor de moltoonsoorten.
Laten we meteen beginnen en bekijken wat dat precies betekent.

Waarom hebben we eigenlijk voortekeningen nodig?
Voordat we in de details duiken: waar zijn voortekeningen eigenlijk goed voor?
Misschien weet je al dat we kruisen en mollen nodig hebben zodat het patroon van de majeurtoonladder altijd hetzelfde blijft – op welke toon ze ook begint.
Het patroon van de majeurtoonladder bestaat namelijk uit een bepaalde volgorde van halve tonen (de kleinst mogelijke afstand) en hele tonen (die gelijk zijn aan twee halve tonen).


De kruisen en mollen van alle voortekeningen zijn er om ervoor te zorgen dat dit patroon van halve en hele tonen altijd hetzelfde blijft, op welke toon onze majeur- en mineurtoonladders ook beginnen. En omdat het patroon hetzelfde is, krijgen we ook dezelfde klank (alleen hoger of lager).
De toonladder van G majeur heeft bijvoorbeeld een fis nodig, zodat de afstand tussen de 6e en de 7e toon een hele toon is en de afstand tussen de 7e en de laatste toon een halve toon. Precies zo schrijft de formule van de majeurtoonladder het voor.

Dat geldt voor elke voortekening, of die nu majeur of mineur is en of ze nu 2 kruisen, 6 mollen of helemaal niets heeft. Waar het om gaat, is dat de kruisen en mollen de juiste patronen van de majeur- en mineurtoonladders behouden.
Daarnaast hebben we voortekeningen nodig omdat ze het lezen en schrijven van muziek makkelijker maken. In plaats van alle kruisen en mollen in de partituur tussen de noten te strooien, staan ze netjes aan het begin van elke notenbalk.

Ze maken het ook veel makkelijker om uit te zoeken in welke toonsoort we zitten. Elke voortekening beperkt de mogelijkheden tot maar 2 toonsoorten: een majeur- en een mineurtoonsoort. (Hoe je herkent welke van de twee het is, bespreken we later.)
Zo bouw je een tabel van de voortekeningen (vanaf de grond op)
In dit deel beginnen we bij nul en bouwen we ALLE 15 voortekeningen stap voor stap op. Daarbij herkennen we de patronen die ons later helpen om elke genoteerde voortekening te bepalen.
Zo pakken we het aan: we beginnen met de voortekening van C majeur, want dat is de toonsoort zonder kruisen en zonder mollen. Dan tellen we 5 tonen omhoog en krijgen we de volgende toonsoort, met een nieuw kruis. Tellen we nog eens 5 tonen omhoog, dan komen we bij de volgende toonsoort met weer een nieuw kruis, enzovoort. We blijven zo doortellen, steeds 5 tonen omhoog vanaf de vorige toonsoort, tot we bij Cis majeur aankomen.
Voor de molvoortekeningen volgen we hetzelfde patroon, maar tellen we in plaats van 5 omhoog 5 omlaag. Elke nieuwe toonsoort krijgt hier een nieuwe mol, tot we bij Ces majeur aankomen.
Hier is het verloop in detail, verdeeld over 5 stappen.
Stap 1 – Begin met C majeur
De eerste stap is heel eenvoudig: begin met C majeur. Deze voortekening komt eerst, omdat ze geen kruisen en geen mollen heeft. Dat zou niet al te moeilijk te onthouden moeten zijn.
Stap 2 – Tel 5 omhoog voor de namen van de kruistoonsoorten
Laten we nu verdergaan met de voortekeningen die kruisen hebben. Het patroon is simpel: tel vanaf de huidige toonsoort 5 tonen omhoog, en je hebt de naam van de volgende voortekening. Elk van die nieuwe toonsoorten heeft één kruis meer dan de vorige.
We beginnen dus met C majeur, dat geen kruisen en geen mollen heeft. De volgende voortekening ligt 5 tonen boven C en heeft 1 kruis. De volgende ligt weer 5 tonen daarboven en heeft 2 kruisen. De daaropvolgende heeft 3 kruisen en ligt 5 tonen boven de vorige – en zo gaat het patroon verder.
Welke toon ligt dan 5 boven C? Het antwoord is G (de volgende voortekening in de rij is dus G majeur). Let op: bij het omhoog tellen tel je de begintoon als ‘één’ mee.

Wat ligt 5 boven G? Het antwoord is D (de volgende voortekening is dus D majeur).

Wat ligt 5 boven D? Het antwoord is A:

En zo gaat het met dit patroon steeds verder, tot we bij Cis aankomen. De volgorde van onze kruisvoortekeningen (te beginnen met C majeur) is dus:
C – G – D – A – E – B – Fis – Cis

Let erop dat we 5 tonen boven B uitkomen bij fis (niet bij F). De afstand van B naar F is een ander soort kwint, en die hebben we in deze rij niet nodig.
Stap 3 – Tel 5 omlaag voor de namen van de moltoonsoorten
Nu doen we hetzelfde voor de moltoonsoorten. In plaats van omhoog tellen we vanaf de huidige voortekening 5 tonen omlaag en komen we zo bij de volgende. Elke nieuwe toonsoort heeft één mol meer dan de vorige.

Je kunt in plaats daarvan ook 4 omhoog tellen – je komt bij dezelfde toon uit.
5 omlaag vanaf C heeft ons dus bij F gebracht. Dat betekent dat de eerste moltoonsoort F majeur is, met 1 mol. De volgende toonsoort ligt 5 tonen onder F en heeft 2 mollen.
Welke toon ligt 5 tonen onder F? Het antwoord is bes:

Vanaf hier is de grondtoon van elke toonsoort zelf al een verlaagde toon. Wat ligt er dan 5 tonen onder bes? Dat is es:

Enzovoort, tot we bij Ces aankomen. De volgorde van onze molvoortekeningen (te beginnen met C majeur) is dus:
C – F – Bes – Es – As – Des – Ges – Ces

Stap 4 – De volgorde van de kruisen en mollen
We hebben dus uitgezocht hoe de majeurvoortekeningen heten. Door elke keer 5 omhoog te tellen, krijgen we aan de kruiskant deze majeurtoonsoorten:
C, G, D, A, E, B, Fis en Cis.
Door elke keer 5 omlaag te tellen, krijgen we aan de molkant deze majeurtoonsoorten:
C, F, Bes, Es, As, Des, Ges en Ces.
Nu moeten we uitzoeken welke kruisen en mollen het precies zijn. Laten we eerst de kruistoonsoorten nemen: elke nieuwe toonsoort krijgt er een kruis bij.
Dat betekent: C majeur heeft geen kruisen, G majeur heeft één kruis, D majeur heeft 2 kruisen, A majeur heeft 3 kruisen enzovoort, tot we bij Cis majeur aankomen, dat 7 kruisen heeft (al zijn tonen zijn verhoogd).
Hier zijn de namen van de majeurvoortekeningen met kruisen EN het aantal kruisen:

Hetzelfde gebeurt bij de moltoonsoorten. C majeur heeft geen mollen, F majeur heeft één mol, Bes majeur heeft 2 mollen, Es majeur heeft 3 mollen enzovoort, tot we bij Ces majeur aankomen, dat 7 mollen heeft (al zijn tonen zijn verlaagd).

Stap 5 – Welke kruisen en mollen het zijn
Voor de kruisen en mollen zelf hebben we dezelfde kwintenreeks nodig, maar deze keer beginnen we niet bij C, maar bij F:
F – C – G – D – A – E – B
Weer tellen we gewoon 5 omhoog. Onthoud alleen dat de reeks bij F begint.
Dat is onze volgorde van de kruisen: het eerste kruis maakt van F een fis, het tweede van C een cis, het derde van G een gis enzovoort. Uit stap 1 tot en met 4 weten we al welke toonsoorten 1 kruis, 2 kruisen, 3 kruisen enz. hebben – we hoeven ze dus alleen nog aan elkaar te koppelen.
Hier zijn dus alle voortekeningen aan de kruiskant:

De mollen zijn op dezelfde manier geordend, alleen loopt de reeks precies omgekeerd aan die van de kruisen. In plaats van F – C – G – D – A – E – B krijgen we dus B – E – A – D – G – C – F.
Dat betekent: de eerste mol maakt van B een bes, de volgende van E een es, de daaropvolgende van A een as enzovoort. De formule gaat door tot we bij Ces majeur aankomen, dat alle 7 mollen heeft.

Dat zijn dus onze 15 voortekeningen: 7 met mollen, 7 met kruisen en C majeur helemaal zonder.
Zo vind je de voortekeningen van de mineurtoonsoorten
Elk van deze 15 voortekeningen staat voor twee toonsoorten: een majeur- en een mineurtoonsoort. En omdat die toonsoorten dezelfde voortekening delen, noemen we ze ‘parallelle toonsoorten’.
G majeur is bijvoorbeeld de parallelle majeurtoonsoort van e mineur. En e mineur is de parallelle mineurtoonsoort van G majeur.
Zodra we de majeurtoonsoorten kennen, hoeven we dus alleen het hele patroon 3 halve tonen omlaag te verschuiven. Let er bij het omlaag tellen op dat je 3 verschillende nootnamen (letters) gebruikt. Tel je bijvoorbeeld vanaf E 3 halve tonen omlaag, dan moet je uitkomen bij cis en niet bij des.
In dit voorbeeld is E de eerste letter, D de tweede en cis de derde.

Dat betekent: de parallelle mineurtoonsoort van E majeur is cis mineur. Met andere woorden: E majeur en cis mineur hebben dezelfde voortekening (namelijk 4 kruisen).
Laten we er nog een proberen. Wat is de parallelle mineurtoonsoort van F majeur?
Tel vanaf F 3 halve tonen omlaag:

Het antwoord is d mineur. F majeur en d mineur hebben dezelfde voortekening.
Daarmee hebben we onze 15 voortekeningen. Zoals de tabel hieronder laat zien, wordt elk daarvan gebruikt voor een majeur- en een mineurtoonsoort.

Voortekeningen noteren
Let erop hoe de kruisen en mollen op de notenbalk staan. In de solsleutel staat het fis-kruis op de bovenste lijn, het cis-kruis in de 3e tussenruimte, enzovoort. Die posities zijn standaard, dus je moet ze alleen veranderen als je daar echt een goede reden voor hebt.
De positie van de kruisen en mollen in de solsleutel:

De positie van de kruisen en mollen in de fa-sleutel:

De positie van de kruisen en mollen in de altsleutel:

De positie van de kruisen en mollen in de tenorsleutel:

Snelle trucs om voortekeningen te vinden
Zodra we weten hoe je een tabel van alle voortekeningen vanaf de grond opbouwt, is het veel makkelijker om ze te vinden.
- Het laatste kruis van elke voortekening ligt 1 halve toon onder de grondtoon van de toonsoort. (Voorbeeld: het laatste kruis van B majeur is ais, dus 1 halve toon onder B.)
- Bij molvoortekeningen is de voorlaatste mol (dus die vóór de laatste) de naam van de toonsoort zelf. (Voorbeeld: zijn de voortekens bes, es, as en des, dan is de toonsoort As majeur. Zijn de voortekens bes, es en as, dan is de toonsoort Es majeur.)
- Om van een majeurtoonsoort naar haar parallelle mineurtoonsoort te gaan, tel je 3 halve tonen omlaag. Om van een mineurtoonsoort naar haar parallelle majeurtoonsoort te gaan, tel je 3 halve tonen omhoog. Van mineur naar majeur omhoog tellen, van majeur naar mineur omlaag tellen.
- Is de grondtoon van een toonsoort verhoogd (fis, cis …), dan heeft de voortekening kruisen. Is de grondtoon verlaagd (bes, es, as …), dan heeft de voortekening mollen. (Voorbeeld: cis mineur heeft 4 kruisen en Es majeur heeft 3 mollen.)
- De tabel van de voortekeningen werkt zo: voor de volgende kruistoonsoort tel je vanaf de vorige toonsoort 5 omhoog, voor de volgende moltoonsoort tel je vanaf de vorige toonsoort 5 omlaag. Elke nieuwe toonsoort heeft één kruis of één mol meer.
- Aan de kruiskant beginnen we bij C majeur zonder kruisen en eindigen we bij Cis majeur met 7 kruisen. Aan de molkant beginnen we weer bij C majeur (dat ook geen mollen heeft) en eindigen we bij Ces majeur met 7 mollen.
- Hoe je uitzoekt of een voortekening in een muziekstuk voor de majeur- of de mineurtoonsoort staat, lees je in deze les: ‘Majeur of mineur herkennen’.
En dat is alles wat je moet weten om de voortekeningen te onthouden.
Als je voor het allereerst alle voortekeningen vanaf de grond hebt opgebouwd, had je misschien wat moeite. Ik verzeker je: dat is heel normaal!
Zodra je gewend bent aan de paar patronen waar we het vandaag over hebben gehad, ken je alle voortekeningen op je duimpje.