In verschillende examens muziektheorie (meestal graad 1 tot en met 4) word je gevraagd om in een gegeven melodie de maatstrepen te zetten. Dat is een nuttige oefening, omdat ze je dwingt goed naar het ritme te kijken. En ze is een belangrijke stap om alle muziek te begrijpen die je voor je hebt.
Hoe zet je dan maatstrepen? Om maatstrepen te zetten, tel je de nootwaarden (dus de duur van de noten) en orden je ze in maten volgens de gegeven maatsoort. Controleer bij het tellen van een ritme altijd dubbel de details, zoals gepunteerde noten, rusten, overgebonden noten en triolen.
Zoals we al bespraken in dit artikel over maatsoorten, is ritme een onmisbaar onderdeel van muziek – daarom is het belangrijk om dit goed te doen!
In deze les delen we het geheel op in losse stappen. De les behandelt de gangbare leerplannen van deze examenorganisaties: ABRSM, Trinity en University of West London.

6 stappen om maatstrepen te zetten
Zo meteen bekijken we een paar voorbeelden (graad voor graad), maar eerst zijn hier de stappen waarmee we ervoor zorgen dat de maatstrepen op de juiste plaatsen komen. (Vaak heb je ze niet eens allemaal nodig.)
- Kijk naar het bovenste getal van de maatsoortaanduiding. Dat vertelt ons hoeveel tellen elke maat moet hebben.
- Kijk naar het onderste getal van de maatsoortaanduiding. Dat vertelt ons wat voor soort tellen we hebben.
- Tel de nootwaarden van de melodie en groepeer ze volgens de maatsoort.
- Zoals je weet, duren sommige noten precies één tel, maar veel andere langer of korter. Let vooral op gepunteerde noten (en in graad 4 ook op dubbel gepunteerde noten).
- Misschien kom je ook een paar rusten tegen. Onthoud dat die overeenkomen met nootwaarden en precies zo geteld worden.
- Overgebonden noten veranderen de nootwaarden niet. Ze verbinden gewoon 2 (of meer) noten met elkaar. Zoals we zullen zien, kunnen ze goede aanwijzingen geven over welke maatsoort het werkelijk is.
Maatstrepen zetten in graad 1
Bij deze oefening krijg je een melodie met maatsoortaanduiding, maar zonder maatstrepen. Het is jouw taak om de ontbrekende maatstrepen te zetten. (Daarmee verdeel je de melodie automatisch in maten.)
In graad 1 heb je te maken met:
- de enkelvoudige maatsoorten 2/4, 3/4 en 4/4;
- de basisnootwaarden van de hele noot tot de zestiende noot, en de bijbehorende rusten;
- de basis gepunteerde nootwaarden en overbindingen.
Voorbeeld 1
Stel dat we deze melodie krijgen. De maatsoort is 4/4, en alleen de eerste maatstreep staat er al. We moeten de overige maatstrepen aanvullen.

Laten we stap voor stap te werk gaan, zoals beschreven in de 6 punten hierboven:
Stap 1: Het bovenste getal van de maatsoortaanduiding is 4. Dat betekent dat we 4 tellen in elke maat hebben.
Stap 2: Het onderste getal is ook 4. Dat betekent dat de tellen kwartnoten zijn. Dat antwoord vinden we door de hele noot te delen door dat onderste getal: 4.
Stap 3: Nu we weten dat elke maat 4 kwarttellen moet hebben, tel je de nootwaarden. Telkens 4 kwarttellen moeten samen één maat vormen.
Let erop dat ik niet heb gezegd ‘telkens 4 noten moeten samen één maat vormen’, maar ‘telkens 4 kwarttellen’. Onthoud dat een noot een willekeurig aantal tellen kan duren: van een halve tel (of minder) tot 4 tellen (of meer). Daarom is het zo belangrijk om rekening te houden met de waarde van de tel.
Dit voorbeeld is vrij eenvoudig, dus de andere stappen hebben we niet nodig. Hier is de oplossing.
Omdat de tel een kwartnoot is, duurt de halve noot 2 tellen. De kwartnoot zelf duurt natuurlijk precies 1 hele tel. We hoeven dus alleen na elke 4 kwarttellen een maatstreep te trekken:

Voorbeeld 2
Het volgende voorbeeld staat in de 2/4-maat. En om het wat lastiger te maken, is er deze keer helemaal geen maatstreep gegeven.
De stappen om de maatstrepen te zetten zijn precies dezelfde als daarnet. In stap 1 en 2 gaat het erom de maatsoort te begrijpen – hier is het 2/4, dus 2 kwarttellen in elke maat.

Nu tellen we gewoon de noten en trekken we na elke 2 kwarttellen een maatstreep. Uit de muziektheorie weet je dat een achtste noot een halve kwartnoot is. Dat betekent dat 2 achtste noten samen een hele kwartnoot zijn.
Omdat de tellen kwarttellen zijn, vormen telkens 2 achtste noten dus ook een hele tel. En hier is de oplossing (kijk naar de berekening hierboven om het patroon te zien):

De manier waarop achtste noten en kleinere nootwaarden met balken tot groepen verbonden zijn, is een goede aanwijzing voor de maatsoort.
Over het plaatsen van balken en hoe ons dat helpt, hebben we het later in deze les. Onthoud voorlopig: noten worden zo met balken verbonden dat de tellen duidelijk worden. Dat betekent:
>> Een balkgroep loopt nooit over een maatstreep heen;
>> De eerste noot van een balkgroep staat altijd op een sterkere tel.
Voorbeeld 3
Hier is een voorbeeld met meerdere gepunteerde noten en een rust.

De stappen om de maatstrepen te zetten zijn precies dezelfde als daarnet. Onthoud gewoon:
- Een punt verlengt een noot met de helft van haar oorspronkelijke waarde. Een gepunteerde kwartnoot is dus 3 achtste noten waard (2 van de oorspronkelijke waarde plus 1 van de punt), en een gepunteerde halve noot is 3 kwartnoten waard (2 van de oorspronkelijke waarde plus 1 van de punt).

- Rusten worden precies zo geteld als noten. Hier hebben we een kwartrust, die (net als een kwartnoot) precies één tel duurt.
De oplossing van dit voorbeeld ziet er dus zo uit. De berekening staat bovenaan in oranje.

Let ook hier weer op hoe de groepering van de achtste noten de structuur van de maatsoort volgt. De eerste groep achtste noten (maat 1) omvat de derde en vierde tel. De tweede groep achtste noten (maat 4) omvat de eerste en tweede tel.
Bij deze oefeningen hoef je nooit een maatstreep door een balk te trekken!
Voorbeeld 4
In het volgende voorbeeld komen een paar zestiende noten en gepunteerde achtste noten voor.

Verder is er niets nieuws, dus we gaan bij het zetten van de maatstrepen op dezelfde manier te werk. De maatsoort is 3/4, dus 3 kwarttellen in elke maat. We hebben vrij veel figuren van gepunteerde achtste noot + zestiende noot.
Omdat de gepunteerde achtste noot gelijk is aan 3 zestiende noten, bestaat de hele figuur uit 4 zestiende noten. Zoals je uit de muziektheorie weet, is dat gelijk aan een kwartnoot.
Als we elke noot tellen, merken we zelfs dat elke groep gelijk is aan een kwartnoot. En in deze maatsoort is dat één tel. De enige noot die langer duurt dan één tel, is de halve noot.
Als we dus na elke 3 kwarttellen een maatstreep zetten, krijgen we deze oplossing:

Voorbeeld 5
Het volgende voorbeeld verschilt nauwelijks van de andere – afgezien van de overbindingen.

Overbindingen kunnen helpen bij het herkennen van de maatsoort, want er zijn 2 hoofdredenen om ze te gebruiken:
- Ofwel omdat er geen andere manier is om de duur van een noot te noteren (bijvoorbeeld als een noot zo lang is als een kwartnoot plus een zestiende noot),
- ofwel omdat een lange noot niet meer in de maat past en een deel van haar duur uit de volgende maat moet halen. Dat tweede punt is handig: overbindingen kunnen over een maatstreep heen lopen (en doen dat vaak).
Met deze punten in het achterhoofd tellen we gewoon alle noten op en zetten we na elke 3 kwarttellen een maatstreep (omdat de maatsoort 3/4 is).

Maatstrepen zetten in graad 2
In graad 2 heb je te maken met alles uit graad 1 en daarnaast met:
- deze enkelvoudige maatsoorten: 2/2, 3/2, 4/2 en 3/8;
- triolen (ook triolen met rusten).
Laten we meteen beginnen met een paar voorbeelden.
Voorbeeld 6
Zoals je ziet, is de maatsoort hier 3/8. Het bovenste getal is 3, dus 3 tellen in elke maat. Het onderste getal is 8, dat wil zeggen dat de tellen achtste noten zijn. Net als daarnet komen we bij dat antwoord door de hele noot te delen door dat onderste getal.
De maatsoort 3/8 vertelt ons dus dat we 3 achtste tellen in elke maat hebben.

Hier maatstrepen zetten zou niet al te moeilijk moeten zijn. We hoeven alleen de nootwaarden te tellen en na elke 3 achtste noten een maatstreep te zetten. Net als daarnet helpen de balken en de groepering van de achtste noten en kleinere nootwaarden ons enorm.
In de 3/8-maat komen de ritmes die hier te zien zijn heel vaak voor. Let erop dat de meeste in groepen van 3 achtste tellen staan (en dus een hele maat vormen).

Natuurlijk kunnen er ook rusten voorkomen. Die veranderen niets aan de manier waarop we de achtste tellen tellen. Ook alle figuren hieronder duren 3 achtste tellen en vullen precies één maat in de 3/8-maat.

Alleen dat al maakt ons vertrouwder met hoe de 3/8-maat werkt. Hier is dus de oplossing van deze oefening:

Voorbeeld 7
Zoals we net zagen, heb je in graad 2 ook te maken met maatsoorten waarvan het onderste getal een 2 is. In die maatsoorten wordt de tel gemeten in halve noten.
In dit voorbeeld hebben we dus 2 halve-noottellen in elke maat.

Omdat we de tellen meten in halve noten, duurt een halve noot zelf een hele tel, een kwartnoot een halve tel, een achtste noot een kwart tel, enzovoort. Met andere woorden:
- 1 halve noot = 1 tel
- 2 kwartnoten = 1 tel
- 4 achtste noten = 1 tel
- 8 zestiende noten = 1 tel
- enzovoort.
Als we zorgvuldig tellen, komen we tot deze oplossing. Let er ook hier op dat we 2 halve-noottellen in elke maat tellen:

Zo’n opgave kan net zo goed hier en daar een paar rusten bevatten. Dat verandert niets aan de manier waarop we tellen.

Voorbeeld 8
Triolen zijn een ander nieuw onderdeel van het leerplan van graad 2. Een triool is de verdeling van een tel (of een deel van een tel) in 3 noten in plaats van de gebruikelijke 2. Triolen worden aangegeven met een kleine 3.
Een triool van achtste noten bestaat bijvoorbeeld uit 3 achtste noten in plaats van 2 (achtste noten).

Omdat de triool van achtste noten de plaats inneemt van 2 achtste noten, telt ze natuurlijk als 2 achtste noten (of 1 kwartnoot).
Er is geen speciale reden waarom de triool in het voorbeeld hierboven op de tweede tel staat. Ik heb dat gewoon zo gekozen voor het voorbeeld. Ze had ook op de eerste tel of op beide tellen kunnen staan. Met andere woorden: triolen kunnen overal staan.
Hier is nog een voorbeeld met een triool. Dit is een triool van kwartnoten: 3 kwartnoten in de tijd van 2. De 2 maten hieronder hebben dus evenveel tellen: 2 halve-noottellen. Het enige verschil is dat de eerste tel van het 2e voorbeeld gevuld is met een triool van kwartnoten.

Hier is dus een voorbeeld met triolen. De maatsoort is 2/2, dus 2 halve-noottellen in elke maat. Waar moeten we de maatstrepen zetten?

Als je bedenkt dat de triool van kwartnoten de tijd van 2 kwartnoten inneemt, is ze gelijk aan een halve noot. Omdat in deze maatsoort de halve noot de tel vormt, duurt een halve noot precies één tel. En zo neemt ook de triool van kwartnoten in deze maatsoort precies één tel in.
Al het andere wordt zoals gewoonlijk geteld, en zo komen we tot deze oplossing:

Voorbeeld 9
In het volgende voorbeeld komen veel triolen van achtste noten voor. Zoals we net bespraken, neemt de triool de tijd in van 2 noten van dezelfde soort. In dit geval neemt de triool van achtste noten dus de tijd in van 2 achtste noten.
Omdat de maatsoort 3/4 is, bestaat elke maat uit drie kwarttellen.

En omdat 2 achtste noten samen 1 kwartnoot vormen, is ook een triool van achtste noten gelijk aan een kwartnoot. Hier horen de maatstrepen in voorbeeld 9 dus:

Maatstrepen zetten in graad 3
In graad 3 moet je de onderwerpen uit graad 1 en 2 goed beheersen en daarnaast:
- deze samengestelde maatsoorten: 6/8, 9/8 en 12/8;
- de tweeëndertigste noot en de bijbehorende rust.
Laten we meteen met een paar voorbeelden beginnen. Als je alles kon volgen wat we vandaag in graad 1 en 2 hebben gedaan, is graad 3 gewoon de volgende stap.
Voorbeeld 10
Net als de 3/8-maat worden ook de maatsoorten 6/8, 9/8 en 12/8 gemeten in achtste noten. Het grote verschil is wel dat 3/8 een ‘enkelvoudige maatsoort’ is, terwijl 6/8, 9/8 en 12/8 ‘samengestelde maatsoorten’ zijn.
Samengestelde maatsoorten zijn maatsoorten waarvan de tellen zich van nature in 3 in plaats van in 2 laten verdelen. Dat komt doordat de tellen van samengestelde maatsoorten gepunteerd zijn. Bij de maatsoorten van deze graad is de tel een gepunteerde kwartnoot.
Zoals je uit de muziektheorie weet, laat elke gepunteerde kwartnoot zich van nature in 3 achtste noten verdelen:

Voor het zetten van maatstrepen betekent dat dat we zoeken naar de figuren die samen een gepunteerde kwartnoot vormen (net als bij de oefening in de 3/8-maat).
Hier is een voorbeeld in de 9/8-maat. Waar moeten we de maatstrepen zetten?

Hoewel 9/8 negen achtste noten per maat betekent, zijn het eigenlijk geen 9 tellen. Zoals besproken, groeperen de achtste noten zich in samengestelde maatsoorten per drie. Dat betekent dat we eigenlijk 3 tellen hebben (9 gedeeld door 3). Om precies te zijn hebben we 3 gepunteerde kwarttellen, die elk 3 achtste noten bevatten.
Dat alles betekent dat we in de 9/8-maat de noten willen ordenen in maten van drie gepunteerde kwarttellen. De oplossing van deze opgave is dus:

Let erop dat een gepunteerde kwartrust gelijk is aan een gepunteerde kwartnoot en daarom in deze samengestelde maatsoorten een hele tel inneemt.
Voorbeeld 11
In graad 3 kom je misschien ook de tweeëndertigste noot en de bijbehorende rust tegen. Zoals de naam al zegt, is de tweeëndertigste noot precies half zo lang als een zestiende noot. Twee tweeëndertigste noten vormen dus samen een zestiende noot.

Waar moeten we in deze oefening de maatstrepen zetten? Ook hier geven de balken goede aanwijzingen.

Omdat de maatsoort 6/8 is, moeten we na elke 2 gepunteerde kwarttellen een maatstreep zetten.
Onthoud: hoewel 6/8 zes achtste noten per maat betekent, tellen we eigenlijk 2 tellen van elk 3 achtste noten – dus 2 gepunteerde kwarttellen.
Zoals we geleerd hebben, is de tweeëndertigste noot half zo lang als de zestiende noot. Dus vormen 4 tweeëndertigste noten samen een achtste noot. Zo ziet deze melodie eruit met maatstrepen:

Er hadden ook rusten kunnen staan, maar zoals we steeds weer gezien hebben, veranderen die niets aan de manier waarop we deze ritmes tellen en maatstrepen zetten.

Maatstrepen zetten in graad 4
Inmiddels zou je alle onderwerpen van graad 1 tot en met 3 behoorlijk goed moeten kennen. De enige nieuwe onderdelen in het leerplan zijn:
- de nootwaarde van de brevis en de bijbehorende rust;
- dubbel gepunteerde noten.
Voordat we bij het laatste voorbeeld van deze les komen, herhalen we deze nieuwe onderwerpen kort.
De brevis (en de bijbehorende rust) is twee keer zo lang als de hele noot. Daarom wordt ze ook wel dubbele hele noot genoemd.

En zo reken je dubbel gepunteerde noten uit:
- De eerste punt is de helft van de oorspronkelijke waarde waard.
- De tweede punt is de helft van de eerste punt waard.
- Tel alles bij elkaar op, en je hebt de waarde van de dubbel gepunteerde noot.
Hier is een voorbeeld met de dubbel gepunteerde kwartnoot. De eerste punt is de helft van de oorspronkelijke waarde (een halve kwartnoot), dus een achtste noot. De tweede punt is de helft van die achtste noot, dus een zestiende noot.

Hier is een voorbeeld met de dubbel gepunteerde halve noot. De eerste punt is de helft van de oorspronkelijke waarde (een halve halve noot), dus een kwartnoot. De tweede punt is de helft van die kwartnoot, dus een achtste noot.

Voorbeeld 12
De maatsoort van dit voorbeeld is 4/2, dat wil zeggen dat elke maat 4 halve-noottellen heeft. Let ook op de brevisrusten en de hele rusten.

Zoals we over de brevis geleerd hebben, is die 2 hele noten waard. De overige noten in deze oefening zijn niet nieuw, dus hier is de oplossing met de maatstrepen erbij:

Ik hoop dat deze les je heeft geholpen te begrijpen hoe je ritmes en maatsoorten telt.